De Vlaamse rundveehouderij steunt al decennialang op een efficiënt en complementair voederproductiesysteem met gras en maïs. Maïs levert een hoge droge-stofopbrengst en is dankzij het hoge zetmeelgehalte een belangrijke energiebron in het rantsoen. Gras kan dan weer geteeld worden op percelen die minder geschikt zijn voor akkerbouw en levert, bij voldoende stikstofvoorziening, een eiwitrijk ruwvoeder.
Deze combinatie heeft bijgedragen aan de hoge productiviteit en efficiëntie van de Vlaamse melkveehouderij. Toch komt het klassieke maïs-grasmodel steeds meer onder druk te staan. Klimaatverandering zorgt voor meer droogte en onvoorspelbare weersomstandigheden, terwijl de maatschappelijke en wettelijke druk toeneemt om het gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen, de stikstofverliezen en de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Tegelijkertijd is er meer aandacht voor bodemkwaliteit, biodiversiteit, gewasdiversificatie en erosiebestrijding.
Waarom een alternatief voor het klassieke maïs-grassysteem?
Het Vlaamse grasland bestaat grotendeels uit Engels raaigras of, bij kortdurend tijdelijk grasland, Italiaans raaigras. Beide grassoorten zijn gevoelig voor droogte door hun oppervlakkige beworteling. Dieper wortelende soorten zoals rietzwenkgras kunnen beter met droogte omgaan, maar ook deze soorten ondervinden problemen wanneer de bodem uitdroogt. De stikstofopname wordt dan beperkt, met een negatieve invloed op groei en eiwitgehalte.
Daarnaast zorgt een rantsoen met een groot aandeel maïs voor een lage voederautonomie op het vlak van eiwit. Door het lage eiwitgehalte van kuilmaïs is vaak eiwitrijk krachtvoer, zoals sojaschroot, nodig om het rantsoen aan te vullen. Meer gras telen is echter niet voor elk bedrijf een oplossing, aangezien de opbrengst van gras doorgaans lager ligt dan die van maïs.
Ook op het vlak van gewasbescherming ontstaan problemen. Krappe rotaties zoals maïsmonocultuur of maïs-Italiaans raaigras-maïs verhogen de druk van moeilijk te bestrijden onkruiden zoals Echinocloa, Setaria, Digitaria en knolcyperus. Hierdoor nemen zowel de kosten voor onkruidbestrijding als het gebruik van herbiciden toe.
Op erosiegevoelige percelen, zoals in delen van de Vlaamse Ardennen, is maïs bovendien minder geschikt. Gewassen die de bodem langdurig bedekken, kunnen hier een belangrijke bijdrage leveren aan erosiebestrijding.
Oplossingsrichting: wisselbouw met graskruiden
Dit project onderzoekt een alternatief voor het traditionele maïs-grasmodel: wisselbouw met tijdelijk grasland op basis van graskruidenmengsels.
In een wisselbouwrotatie wisselen een meerjarige fase met graskruiden en éénjarige voeder- en akkerbouwgewassen elkaar af. Een mogelijke rotatie bestaat bijvoorbeeld uit:
3 jaar graskruiden → voederbiet → maïs → tarwe → 3 jaar graskruiden
Een graskruidenmengsel combineert minstens één grassoort, één vlinderbloemige en verschillende kruidachtige soorten. Voorbeelden zijn Engels raaigras, Italiaans raaigras of rietzwenkgras in combinatie met klaver, luzerne of rolklaver en kruiden zoals weegbree, cichorei en duizendblad.
Door verschillende plantensoorten te combineren, wordt ingezet op een productief en veerkrachtig gewas dat beter bestand is tegen wisselende groeiomstandigheden.
Voordelen van graskruiden
Graskruidenmengsels bieden verschillende potentiële voordelen tegenover een zuiver grasbestand.
Hogere en stabielere opbrengsten
De combinatie van verschillende soorten kan zorgen voor een stabielere productie, vooral onder droge omstandigheden.
Meer eiwit van eigen bodem
De aanwezigheid van vlinderbloemigen verhoogt het eiwitgehalte van het geoogste ruwvoer. Hierdoor kan de behoefte aan eiwitrijk krachtvoer en geïmporteerde eiwitbronnen dalen.
Minder minerale stikstof
Vlinderbloemigen binden stikstof uit de lucht en kunnen zo de behoefte aan minerale N-bemesting sterk verminderen.
Betere bodemvruchtbaarheid
Een meerjarige graskruidenfase draagt bij aan de bodemkwaliteit. De stikstofnalevering na het scheuren van het grasland kan bovendien ten goede komen aan de akkerbouwgewassen die volgen.
Minder herbicidengebruik
De dichte en diverse zode onderdrukt onkruiden tijdens de graskruidenfase. De ruimere vruchtwisseling kan daarnaast de onkruiddruk in de daaropvolgende akkerbouwfase verlagen.
Meer biodiversiteit
Klavers en kruiden zorgen voor een langere en meer diverse bloeiperiode. Ook onder een intensief maaibeheer kunnen ze een belangrijke voedselbron vormen voor bestuivers en andere insecten.
Minder erosie en nitraatuitspoeling
De permanente bodembedekking tijdens de graskruidenfase beschermt de bodem tegen erosie en beperkt het risico op nitraatuitspoeling.
Een wisselbouwsysteem met voordelen voor het hele bedrijf
De meerwaarde van graskruiden beperkt zich niet tot de productie van ruwvoer. Door tijdelijk grasland in te schakelen in een ruimere rotatie ontstaat een systeem waarin voederproductie, bodemvruchtbaarheid, gewasbescherming en biodiversiteit elkaar kunnen versterken.
De graskruidenfase kan zo een belangrijke schakel vormen tussen de rundveehouderij en de akkerbouw. Na meerdere jaren graskruiden volgen gewassen zoals voederbiet, maïs of tarwe, die kunnen profiteren van de opgebouwde bodemvruchtbaarheid en stikstofnalevering.
Op die manier wil het project bijdragen aan een robuuster en meer divers voederproductiesysteem, waarbij productiviteit en voederautonomie worden gecombineerd met een lager gebruik van externe inputs en een betere bescherming van bodem en milieu.
Project objective
Het project gaat na in welke mate graskruiden in een wisselbouwsysteem een volwaardig alternatief kunnen vormen voor het klassieke maïs-grasmodel.
Daarbij wordt gekeken naar onder meer:
- opbrengst en opbrengststabiliteit;
- voederwaarde en eiwitproductie;
- prestaties onder droge omstandigheden;
- behoefte aan minerale stikstof;
- stikstofnalevering naar volggewassen;
- onkruidonderdrukking en herbicidengebruik;
- bodemkwaliteit;
- erosie en nitraatuitspoeling;
- biodiversiteit;
- en de impact op de voederautonomie van rundveebedrijven.